woensdag 3 september 2008

De leegte van een land

Hoe leeg is Spanje! Na 6 weken rondreizen door voornamelijk de westelijke helft van Spanje, lijken Belgie en Nederland absoluut twee kleine overbevolkte landjes. Ik had wel eens horen vertellen over de weidsheid van de Spaanse landschappen, maar als je in de derde grootste en mogelijk zelfs de lawaaierigste stad van Spanje woont, is het moeilijk om je een leeg en stil Spanje voor te stellen. Maar het bestaat. En hoe!

In het noorden van Spanje, op weg naar en in de Picos de Europa, komen we tientallen dorpjes tegen waar slechts een handvol huizen staan. Jonge mensen zijn er niet te bekennen in deze ver-van-alles-vandaan-dorpen. Stokoude boeren en boerinnen die hun velden nog met de hand bewerken, zijn de enige bewoners. Over minder dan 10 jaar zullen vele van de mini-dorpjes waarschijnlijk pueblos abondonados, verlaten dorpen, zijn. Spanje telt al meer dan 2600 van zulke dorpen, waar niemand meer woont. De jongere mensen trokken er weg en de overgebleven bejaarde inwoners stierven er. Veel regeringen van de autonome deelstaten doen hun best om met subsidies jonge gezinnen over te halen weer in de pueblos abandonados te gaan wonen, of ze bieden hele dorpen te koop aan aan investeerders in plattelandstoerisme.

De Picos de Europa zijn WAUW! Groots, spectaculair, ruw. Stil. Een smalle kronkelweg waar aan weerskanten steile donkere rotsen opdoemen die het zonlicht weghouden, kan zo als decor in een fantasy-film gebruikt worden.

Verder naar het zuiden, in de regio Extremadura, is de stilte en leegte even groots en indrukwekkend als in het bergachtige noorden, alleen is hier alles wat platter. Immense vlaktes, prairie-achtig, woestijn-achtig, droog, dor, geen mens te bekennen, de wegen voor ons alleen. "In Extremadura komt geen hond", zegt de kapster in Trujillo. "Niemand kent ons, de buitenlandse toeristen niet, zelfs de Spanjaarden niet", klaagt ze. "De enige lui die Extremadura kennen zijn die rot-jagers, die hier zonder vergunning al onze dieren komen doodschieten."

Andalusië is uiteraard wel bekend in onze contreien en trekt een massa toeristen. Gelukkig voor ons ligt het gros van die toeristen lijf aan lijf te bakken op een van de stranden van de verschrikkelijke Costa del Sol (Costa Te Vol) in het zuidoosten van Andalusië. Wég van die strook met opzichtige villas, patserige hotels, reusachtige shopping centers, discotheken, golfbanen en klinieken voor plastische chirurgie (ja, ook dat is Spanje...) is er gelukkig nog heel veel Andalusië over waar het wél mooi en écht is. En waar het weer leeg en stil is. Ze bestaan nog in Spanje: prachtige brede zandstranden zonder bebouwing, waar je nauwelijks een badgast tegenkomt. Eindeloze heuvels, bergen en velden waar je alleen de toro bravo, vechtstier, ziet rondlopen. Genoeg witte Andalusische bergdorpjes waar niets te beleven valt maar waar de mensen hartelijk zijn.

Zoals op een terrasje in Almonaster Real waar we keer op keer dezelfde overheerlijke geitenkaas als tapa bij ons bier bestellen, eerst tot grote verbazing, daarna tot groot vermaak van de serveerster. Bij het laatste pintje en de laatste kaastapa die we ons voornemen te bestellen, leg ik uit dat we de kaas heel erg lekker vinden. Even later komt de serveerster terug met nog een schoteltje geitenkaas, andere, van de streek, om ons te laten proeven, aangeboden door de zaak.

In Sanlúcar de Barrameda besluiten we om niet op de "promenade" vlak bij het strand iets te gaan drinken, maar om een straatje 20 meter verderop in te slaan. De eerste bar die we daar zien, gaan we binnen. Het blijkt het café van een hermandad, broederschap, te zijn. De drankjes kosten hier 1 euro, twintig meter verderop richting strand is dat 2.70 euro... Ik vraag de man achter de toog wat een hermandad eigenlijk is en hij wenkt dat ik hem moet volgen. We komen in een ruimte van het café waar de muren vol religieuze afbeeldingen hangen. Iedere hermandad in de stad kiest een eigen foto waarop Jezus of Maria afgebeeld staan. De hermandad bestaat uit dorps-, stads- of wijkgenoten die samen Jezus of Maria vereren in processies met pasen en andere katholieke vieringen. "Maar", legt de man uit, "sommige hermandades zijn vooral "de pena", over boetedoening en streng katholiek, terwijl andere vooral "de fiesta" zijn. Wij zijn een hermandad de fiesta." Waarom verbaast ons dat niet in een land waar de bewoners altijd wel een excuus vinden om te feesten?

Op de camping in Iznate nodigt de campinghoudster ons uit om van de moscatelwijn die in het dorp wordt gemaakt te proeven. Heerlijk zoet. In hetzelfde Iznate komt de sympathieke cafébaas ons glimmend van trots de twee grote verse dorades laten zien die hij voor ons wil bakken nadat we gezegd hadden dat we zin hadden in vis.

Als ik in een droguería, drogisterij, in Ronda vraag of ze bencina blanca, wasbenzine, hebben en de man van de winkel heel vanzelfsprekend "ja, natuurlijk" zegt, vallen Eric en ik stil van verbazing. Al weken zijn we op zoek naar geschikte brandstof voor ons campingkookstelletje, maar in de tientallen ijzerwinkels, campingzaken, doe-het-zelf-zaken, verfwinkels, outdoor-zaken, drogisterijen en wat al niet meer waar we de voorbije weken al geweest zijn, was het antwoord steeds negatief. De man in de winkel in Ronda is op zijn beurt verbaasd om onze verbazing. Ik leg hem uit dat hij de eerste winkelier in een maand tijd is die de geschikte brandstof heeft. "Wij hebben alles", zegt hij en plots staat al het personeel van het familiebedrijfje trots om ons heen. Een meneer haalt een oude poster tevoorschijn waarop een foto staat van de drogisterij in het jaar 1905. "Al meer dan 100 jaar zijn wij er voor de klant", zegt de man trots terwijl hij naar de poster wijst. "Al méér dan 100 jaar", herhaalt hij. "Voor onze klanten."

In de enige woestijn die Europa rijk is ligt het dorpje Tabernas midden in een golvend, donkerbruin, doodsaandoend, dor landschap. Dit is de omgeving waar tal van (spaghetti)westerns en avonturenfilms zijn opgenomen, zoals "The Good, The Bad and The Ugly", "Lawrence of Arabia" en "Indiana Jones and the last crusade". In Tabernas vinden we net buiten het dorp een restaurant. We horen alleen doodse stilte als we het restaurant binnengaan. Vreemd, het is toch lunchtijd? Als we richting de toog lopen, zien we in een hoek van het restaurant een gezin zitten -vader, moeder en dochter. Ze zijn de eigenaren van de zaak. We vragen of we iets kunnen eten. "Natuurlijk", zegt de moeder, "wat willen jullie?" Ik vraag of ze, zoals de meeste Spaanse restaurants, een menú del día, dagmenu, hebben. Dat hebben ze niet. We mogen zelf zeggen waar we zin in hebben en dan zullen ze dat wel maken, legt de vrouw uit. We bestellen een salade en tortilla de patatas . In alle stilte gaan moeder en dochter aan de slag in de keuken. De vader schenkt ons een drankje in. Ik zie een oude luchtfoto van het restaurant aan de muur hangen en vraag van wanneer de foto dateert. "Oh", verzucht de man, "dat is al lang geleden, een jaar of vijftien". Op de foto kun je zien dat destijds de doorgaande weg door de woestijn dwars door het dorp Tabernas ging en langs het restaurant annex hotelletje liep. Waarschijnlijk was het toen een vrij drukbezochte truckstop, maar nu er een nieuwe weg óm het dorp heen is aangelegd, is dit restaurant zijn clientele kwijtgeraakt en moeten ze het hebben van toevallige passanten zoals wij. We krijgen onze verser dan versbereide maaltijd in het lege restaurant geserveerd en het is en blijft doodstil. Is dit ook Spanje? We horen letterlijk alleen het fluiten van de wind. Hoe "woestijniger" dan dit kan het nog worden?

Ik begin langzaamaan een beetje te begrijpen waarom de Spanjaarden zo bekend staan als praatgrage druktemakers en feestvierders. Als je in een zo'n groot land woont waar het zó leeg en zó stil is, waar zelfs nú nog de afstanden en reistijden tussen dorpen erg groot zijn door de vele bergen, bochten en andere obstakels, dan moet je wel voor je eigen entertainment zorgen. Wat anders dan praten, eten, drinken en geregeld feesten kun je anders doen temidden van al dat niets?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten