zondag 25 november 2007

Streetlife part 2

Samen met mijn ouders, die een paar dagen op bezoek zijn om te ontdekken wat ik in hemelsnaam zo fijn vind aan Spanje, neem ik de lokale bus naar La Albufera. La Albufera is een natuurreservaat een kilometer of 15 ten zuiden van Valencia en bestaat voornamelijk uit waterrijk gebied met rijstvelden en riet, het is een mekka voor de vogelliefhebber. Vogels interesseren mij geen barst, maar ik kijk ernaaruit om de drukte van de stad even te ontvluchten.

Maar zo gemakkelijk komen we de stad nog niet uit... We moeten eerst de bushalte vinden waar de bus naar La Albufera stopt. Met de kaart in de hand zigzaggen we door de straten van Valencia. Nog één grote weg oversteken en dan zijn we er. Klinkt eenvoudig en dat is het normaal ook, ware het niet dat die ene grote weg er helemaal opengebroken bij ligt. Auto's en motors zoeven over een modderige stuk weg dat afgezet is met wit-rode plastic bakken. Aan voetgangers is niet gedacht, want oversteken lijkt absoluut onmogelijk. Ik vraag een Spaanse dame of zij weet waar er een oversteekplaats is om veilig aan de overkant te komen. Ze breekt meteen uit in een verontwaardigde kolere die niet op mij persoonlijk gericht is, maar wel op de stad Valencia: "Hija, ni puta idea. Dat is hier toch niet normaal, joder, godverdomme!" We kunnen een kilometer omlopen om de afzetting heen, maar dat zien zij noch wij zitten. "Joder," raast ze verder, "we moeten hier zo kwiek zijn als toreros om al dat verkeer te ontwijken!", terwijl ze aanstalten maakt om zich tussen de auto's te werpen. We volgen haar voorbeeld en dartelen gehaast tussen het verkeer, de plastic afzetting en de plakkerige modder door. Uiteraard bereiken we veilig de overkant, no hay problema.

Al gauw komt onze bus eraan. We zoeken een zitplaatsje, maar merken meteen dat we haast bovenop de verwarming zijn gaan zitten die een droge, verzengende hitte door de bus blaast. "Ufff, qué calor, wat een hitte!", verzucht een wat sjiekere dame terwijl ze zich met haar hand wat koelte probeert toe te waaien. We zoeken een andere zitplaats, maar de hitte wordt er niet minder om. We blijven even zitten bakken in deze gele oven totdat de buschauffeur plots roept: "Bajar, uitstappen!" Opgelucht doen alle passagiers wat er hen gevraagd is en opnieuw staan we op de stoep te wachten. Al heel snel komt er een nieuwe bus aan en kunnen we onze reis in alle koelte verderzetten.

Bij El Palmar moeten we er weer uit. Ik heb me altijd al afgevraagd hoe Spanjaarden op het platteland weten waar er een bushalte is, want er staan hier geen enkel paaltje, bordje of ander herkenningsteken dat ook maar enigszins een bushalte zou kunnen aangeven. Ik vraag enkele dames waar het dorp El Palmar ligt. "Oh", zegt een van hen laconiek, "dat is niet ver, dat is een half uur wandelen, díe kant uit", en ze wijst naar een weg die langs beide kanten begroeid is met riet en andere planten. Niet ver? Een half uur! Mijn vader zucht al. Het is vrij warm vandaag en het vooruitzicht om een half uur te wandelen met een knie die hij gisteren pijnlijk overwerkt heeft bij de beklimming van El Miguelete, de toren van de kathedraal in Valencia, stemt hem niet bijster vrolijk. Maar we gaan toch maar op pad en grinniken om het bizarre van deze gedeeltelijk overwoekerde straat met platgereden reuzenratten en vissen langs de kant van de weg.




1 opmerking:

  1. Hoi Suzanne, doe je gewoon eventjes de groetjes aan je ouders, nu die d'r toch zijn! Thanks!

    BeantwoordenVerwijderen