maandag 26 november 2007

Dit is Spanje

Onze voettocht naar El Palmar duurt tot opluchting van mijn ouders dan toch geen half uur, omdat ik plots een bordje langs de kant van de weg zie dat een oplossing biedt: paseos en barca, boottochtjes. We gaan een kijkje nemen en er wordt net een lading ouden van dagen ingescheept. Ik vraag de schipper of ook wij drie nog een bootje kunnen huren. "Nee, nee, jullie kunnen nog makkelijk mee met dit bootje, er is plaats genoeg", zegt hij. Dat lijkt me persoonlijk ietwat optimistisch gesteld, maar de bejaardensoos uit Madrid maakt gretig plaats voor ons. Nieuwsgierig glimlachend kijken ze ons aan, want dat wij guiris zijn is overduidelijk. Mijn ouders hebben al een plaatsje naast elkaar gevonden en een meneer en mevrouw doen hun best om op te schuiven, zodat ik vlak bij mijn ouders kan zitten. Het is echter erg krap en een andere mevrouw klopt daarom op de min of meer vrije plek naast haar en roept me bij haar. Dat wordt mijn zitplaats. De mevrouw begint meteen honderduit tegen mij, vertelt haar halve leven. Ik weet nu dat ze pas laat de liefde van haar leven is tegengekomen en op haar veertigste getrouwd is en een paar jaar later kinderen kreeg. Ze heeft een dochter van 29 en een zoon van 28. Nu is ze 74 en voelt ze zich superjong. "Eres holandesa, ben je Nederlandse? Oooh, daar ben ik eens geweest, qué bonito!" Ook een andere dame en haar echtgenoot mengen zich in het gesprek: "Holanda, sí sí, mucha agua, veel water! En mooie dorpjes met schattige huisjes. Oh ja, en de Deltawerken!"
Ook mijn ouders worden even later getrakteerd op een Spaanse spraakwaterval en roepen mijn hulp in om te komen tolken. Kans om van de natuur te genieten hebben we haast niet door het geratel van de Spanjaarden. Aan die druktemakers moet ik soms toch nog wat wennen...

We meren aan in het dorpje El Palmar, het doel van onze tocht van vandaag. We zijn van plan om hier iets te gaan eten. Het dorpje zelf stelt teleur. Er is hier niets te zien, niets te doen, niets te beleven. Restaurantjes zijn er wel, maar het is voor Spaanse begrippen nog te vroeg om te lunchen. Zin om in El Palmar te blijven hangen hebben we niet echt. We wandelen wat rond en als ik een man bij zijn auto zie, stap ik op hem af om te vragen waar de bushalte IN het dorp is (en niet een half uur wandelen BUITEN het dorp!) en wanneer er een bus richting Valencia gaat. Hij legt me kort uit waar ik de bushalte kan vinden, maar doet meteen een ander voorstel: "Als jullie willen mogen jullie met mij mee in de auto, hoor. Ik moet dadelijk naar Sueca en ik kan jullie dan afzetten bij het station in Sollana. Van daaruit vertrekt er ieder kwartier een trein naar Valencia." Ik taxeer de man. Hij kijkt me vriendelijk aan, zijn ogen kijken glinsterend en oprecht. Mijn beslissing is snel gevallen: ik vind het een prima voorstel en ook mijn ouders zijn voor het idee gewonnen.

Zo komt het dus dat we even later op pad gaan met Rogelio. Hij rijdt speciaal voor ons over een afgelegen weg tussen de rijstvelden door. Hij geeft ons uitleg over het irrigatiesysteem, stopt op een mooie plek zodat mijn vader een foto kan maken en vertelt honderduit over zijn leven. Zijn mond staat niet stil. Alleen als ik vertaal voor mijn ouders, zwijgt hij even. Rogelio is een brandweerman die tijd over heeft. Hij heeft in El Palmar ook een bootje waarmee hij toeristen in La Albufera rondvaart. Verder geeft hij al 15 jaar allerhande soorten massages. Hij laat ons zijn soepele hand- en polsbewegingen zien. "Kijk", zegt hij, "zo help je iemand van zijn hoofdpijn af" en met een snelle ruk met zijn twee handen en een klak-geluid met zijn mond demonstreert hoe hij iemands nek kan kraken. "Een massage moet je voelen", zegt hij. "Al die zweverige esotherische massages dat is maar onzin waarmee ze de mensen voor de gek houden. Nee, nee, de stevige aanpak, die loont tenminste!" Sportief is hij ook: hij was jarenlang een topper in het kayakken. Niet zonder trots zegt hij dat hij in 1972 als 16-jarige mee heeft gedaan aan de Olympische Spelen in Berlijn. "Wauw", gun ik hem mijn bewondering, "zijn jullie met medailles naar huis gekomen?" "Pffff, nee", zegt hij, "het Spaanse kayakteam stelde geen zak voor." "Maar", voegt hij er snel aan toe om het verhaal toch niet in een anticlimax te laten eindigen, " we logeerden wel vlakbij de plek waar toen die aanslag op de Israelische atleten is gepleegd. Dat was me nogal iets, ongelooflijk!!!"

Bij het station van Sollana nemen we afscheid van deze hartelijke Spanjaard die zonder wantrouwen, desinteresse, aarzelen, luiheid of welk ander excuus dat wij ook maar zouden kunnen bedenken, een stellletje wildvreemde toeristen een geanimeerde lift geeft. "Zou ik hetzelfde gedaan hebben?" vraag ik mezelf stilletjes af. Van een kant ben ik een beetje gegeneerd dat mijn antwoord hoogstwaarschijnlijk 'nee' zou zijn. Zit het niet in mij? Zit het niet in Nederlanders/Belgen? Ben ik of zijn wij er te wantrouwend of onverschillig voor? Is het waar: koeltjes in het noorden, warmhartig in het zuiden?

"Dit is nu Spanje", promoot ik mijn favoriete land glunderend aan mijn ouders. Natuurlijk vind ik het ook leuk dat ze mooie monumenten, futuristische bouwwerken en lekkere tapas in Valencia hebben leren kennen. Maar de lift van Rogelio is veel meer waard: nu hebben ze Spanje van dichtbij kunnen VOELEN. En mijn hart maakt juichend een sprongetje.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten